El Salvador
Vandaag is het de dag dat Johan Cruijff tien jaar geleden overleed, de beste Nederlandse voetballer ooit.
Abe Lenstra, zelf ook een goede voetballer, dacht daar echter anders over, zoals hij vaak in de media liet optekenen. Een mooi stukje Friese folklore dachten wij dan altijd.
In de week na zijn dood werd de Akkerstraat, waar hij opgroeide, omgetoverd tot bedevaartsoord met een enorme bloemenzee.
Tienduizenden (misschien wel honderdduizenden) mensen waren naar Betondorp getrokken om de laatste groet aan Johan te geven. Zo ook hadden ook mijn vrouw en twee zoons, voorzien van bloemen, deze gang gemaakt.
Ik ben er trots op dat ik Johan vanaf het begin bij Ajax heb mogen zien. Vanaf het seizoen 1965/66 kan ik met zekerheid zeggen dat ik al zijn thuiswedstrijden heb gezien, terwijl er ook heel een groot aantal uitwedstrijden bij waren.
Een van de mooiste was de 8-2 tegen Feyenoord, alhoewel hij toen bij de Rotterdammers speelde.
Mijn vader en ik gingen vaak gezamenlijk naar het stadion, maar eenmaal thuis hadden we altijd onenigheid. Mijn vader was voor Johan, terwijl ik de voorkeur gaf aan de, in mijn ogen, meer charismatische Piet Keizer. Na de wedstrijd was het tijdens het avondeten dan ook altijd “bal” bij ons thuis, waar wij ons standpunt te vuur en te zwaard verdedigden. Mijn arme moeder moest al dat gekibbel allemaal maar aanhoren.
Later begon ik echter wel in te zien dat Johan van een soort buitenaards niveau was en mijn vader, zoals alle vaders uiteindelijk, het goed had gezien.
Vele jaren later heb ik Johan 1 op 1 (of beter 2 op 2) in levende lijve mogen ontmoeten. In die tijd had ik een klein baantje als fotograaf van de Echo, in die tijd de gratis deur tot deur krant op woensdag in geheel Amsterdam.
Het was in een VIP ruimte op Schiphol waar Dave Endt en ik hem en zijn schoonvader, "Ome Cor” ontmoetten. Cor Coster moest “ome” genoemd worden omdat zaakwaarnemers in die tijd nog verboden waren door de KNVB. Door deze functie in het familiaire te trekken leek het erop dat dit een vriendendienst was en geen professionele begeleider.
Deze ontmoeting was voor ons iets magisch en na afloop waren we volledig onder de indruk van “El Salvador”. Zo normaal en zo vriendelijk, het was voor ons amper te bevatten.
Nu, jaren later, wordt het besef steeds groter met wat voor een uniek mens en voetballer wij groot geworden zijn.
Johan blijft voor altijd in mijn hart.
l'histoire se répète
Op een nieuwssite lees ik net dat een Barcelona supporter voor de wedstrijd tegen Newcastle United in het verkeerde stadion terecht is gekomen. Hoe kan dat nou?, zult u zich terecht afvragen, maar ook bij voetbalsupporters zijn de wonderen de wereld nog niet uit.
Op 10 maart zou de Champions League wedstrijd op St James Park in Newcastle upon Tyne gespeeld worden.
Ruim op tijd meldde de Spanjaard zich bij het St James park bij de Adam Stansfield Tribune en kreeg daar de schrik van zijn leven. Dit was niet het stadion van Newcastle United, maar het stadion van Exeter City FC, dat die avond de competitiewedstrijd in de League One, zou spelen tegen Lincoln City.
Alsnog via de M1 en M5 naar Newcastle gaan was geen optie omdat 589 kilometer net iets te ver was. De verbaasde stadion medewerkers hadden medelijden met de verdwaalde reiziger en boden hem een ticket aan voor de (overigens met 0-1 verloren) wedstrijd tegen Lincoln City FC.
Of hij daadwerkelijk gebruikgemaakt heeft van deze genereuze aanbieding weet ik niet, maar dat het een bijzonder verhaal is, weet ik wel.
Dat de geschiedenis zich soms herhaalt, moge blijken aan iets wat mij heel lang geleden is overkomen. Op 30 mei 1973 was ik in Belgrado voor de Europa Cup finale Ajax Juventus. Ik kwam daar al vroeg in de ochtend in m’n eentje aan en begon door de, toen nog, socialistische stad te zwerven. De hele dag was ik druk in de weer en zag veel van de hoofdstad in, toen nog, Joegoslavië.
Om een uur of zes werd het tijd om lopend naar het stadion te gaan, omdat de wedstrijd om 20.30 zou beginnen.
Rond 7 uur kwam ik het stadion binnen en gelijk viel het mij op dat er nog niet veel mensen in het kleine stadion zaten. Tevens was er geen kaartcontrole. Dat is nog eens een goed socialistisch land, iedereen mag gewoon naar binnen.
Na wat rondvragen over het een en ander drong het tot mij door dat ik in het verkeerde stadion zat. Ik bevond mij niet in het Marakana stadion (bijnaam), maar in het Partizana Stadion, veertien minuten lopen daarvandaan.
Als de wiedeweerga ging ik naar het Rode Ster stadion, waar ik ruim op tijd aankwam. Samen met ruim 108 duizend toeschouwers zag ik een van de de meest saaie finales ooit, die overigens wel werd gewonnen met 1-0.
Zo zie je maar weer “l'histoire se répète”
Tante Geer
Iedereen heeft wel vrienden of kennissen die we "oom" of “tante”noemen, maar dat feitelijk niet zijn.
Zo had ik vroeger Ome Bas en Tante Geer. Bas was een kleine man, ietwat kalend en gezegend met een grote mond. Dat kwam goed uit want wij waren ook niet op ons mondje gevallen. Hij was getrouwd met tante Geer en zij woonden in Haarlem op het Groot Heiligland in een omgeving die vandaag de dag als een havermelk wijk wordt gezien. Echter in mijn jeugd was het gewoon een doodnormale wijk.
Mijn vader, moeder en ik gingen daar vaak op bezoek en ik speelde dan vaak met hun dochters Marjan, Mieke en Maud. Vandaag de dag zouden zij de drie M’s genoemd worden, maar dat zat er toen nog niet in.
Ome Bas was vrachtwagenchauffeur “op Frankrijk” en ben meerdere keren met hem mee geweest. Het was elke keer een waar feest. In die tijd was van Nederland naar Frankrijk nog een hele operatie. Zo moest je om in Frankrijk ite geraken wel vijf keer langs de douane.
Ikkan ik mij nog heel goed herinneren dat het onderweg pijpenstelen regende en er een hele rij personenauto's langs de kant stond te schuilen tegen de enorme regenval. Om maar geen beslagen ramen te krijgen,hadden ze hun ramen opengedraaid.
“Let maar eens op” zei ome Bas en hij reed met zijn Hanomag-Henschel F161S door alle plassen langs de kant van de weg. Al die auto’s werden getrakteerd op een waterhoos. Als je dan in de spiegel keek, zag je veel armgezwaai van boze automobilisten. Met veel plezier vervolgden wij onze rit.
Een aantal jaren geleden kreeg ik een brief in de bus met de mededeling dat Bas was overleden. Veel contact had ik niet meer, maar toch schrok ik. Uiteraard ben ik toen naar zijn uitvaart geweest. Het contact met de 3 M’s was heel hartverwarmend en ik genoot van het weerzien. Maar je weet hoe het gaat, je spreekt af om elkaar weer eens te zien, maar er komt dan weer helemaal niets van terecht.
Een paar weken geleden kreeg ik een appje van degene die ons vorige huis had gekocht. Hij vertelde dat hij een brief had ontvangen en dacht dat het om een overlijden ging.
Omdat wij niet thuis waren, ben ik er de volgende dag langs gereden, en ja hoor, Tante Geer was overleden op de respectabele leeftijd van 95 jaar.
Het vervelende was dat de uitvaart nog diezelfde dag zou plaatsvinden, maar ok, wat moet dat moet, en wij er naar toe.
De begrafenis zou plaatsvinden in Haarlem noord, waar de plechtigheid zou plaatsvinden in een schitterend art deco gebouw.
De dienst was sober en heel erg veel mensen waren er niet, maar toch had deze begrafenis voor mij toch iets magisch.
Op het einde werd de Internationale (het strijdlied der Socialisten voor onwetenden) gespeeld en op dat moment werd het mij een beetje te veel. Marjan zag dat en kwam op mij af en omhelsde mij.
Toen mijn moeder begraven werd, werd het Russische volkslied gespeeld als eerbetoon aan mijn vader en moeder. Zowel mijn ouders als onze Haarlemse vrienden waren verstokte communisten, waarvan enkelen in de dertiger jaren van de vorige eeuw nog tegen Franco meegevochten hadden tijdens de Spaanse burgeroorlog. Op dat moment besefte ik dat wij bijzondere ouders hebben gehad.
Het voelt vreemd en goed tegelijk aan om na zoveel jaren niets meer van elkaar te hebben vernomen, toch wederom deze warme gevoelens te ontdekken.
De bijeenkomst na afloop was er een om nooit meer te vergeten. Er waren veel mensen aanwezig die mijn vader en moeder nog kenden en ik heb heerlijk met veel mensen staan praten.
Zo zie je maar weer eens, “eert uw vader en uw moeder”, maar ook je oom en tante.
Haringstal
Mijn ouders wilden per se dat ik naar een Montessorischool ging en daar ben ik ze nog steeds dankbaar voor.
Het probleem was echter wel, dat wij zo ver van de dichtstbijzijnde school woonden,
dat ik al op mijn zesde met lijn 27 of 1 vanaf de Raadhuisstraat naar de Kinkerstraat hoek Jan Pieter Heijestraat moest reizen. Eerst nog samen met mijn moeder, maar vanaf mijn zevende (meen ik) alleen.
Lijn 27 was 's ochtends altijd een feest op het volgeladen voorbalkon. Hier gaven alle passagiers, de chauffeur, een goed en welgemeend advies hoe hij zijn tram het beste door de stad kon laveren.
In de zomer, als het lekker weer was, waren de zijdeurtjes open en kon je de wind lekker door je haar laten gaan. Kortom alle dagen feest.
Als ik in de middag weer naar huis ging, liep ik altijd langs het oude postkantoor richting het SIngel. Op die hoek stond nl. de haringstal van “ome Barend”, waar ik elke dag een paar stukjes haring kreeg. Daarvandaan was het slechts een klein stukje lopen naar de Oude Leliestraat waar wij woonden.
Ik dacht dat ik die haring altijd kreeg, maar later begreep ik pas dat mijn moeder aan het eind van de week altijd even ging afrekenen.
Zeker is wel dat Ome Barend mij de liefde voor haring heeft aangeleerd, zo zeer zelfs, dat ik lange tijd zelf graag haringboer wilde worden.
Afgelopen donderdag las ik tot mijn verbazing een stuk in het Parool dat de gemeente Amsterdam een soort van uitsterfbeleid aan het toepassen is met betrekking tot de haring stallen.
Een bestaande haringstal met de huidige eigenaar mag zo lang op zijn plaats blijven als hij wil, maar als er iets gewijzigd wordt, is dat totaal onmogelijk en moet de stal verdwijnen.
Wil men bijvoorbeeld kibbeling (waar een frituur voor nodig is) gaan verkopen of de stal iets vergroten, dan is dat verboden. Wil de eigenaar zijn stal aan zijn zoon of dochter overdoen, is dat ook niet toegestaan.
Het is onbegrijpelijk waarom de gemeente Amsterdam een soort uitsterfbeleid aan het toepassen is met betrekking tot dit typisch Amsterdamse stadsbeeld. Daar waar de ene na de andere stroopwafel- of pindakaaswinkel zijn deuren opent, moet dit bij jong en oud bekende Amsterdams erfgoed om onzinnige redenen verdwijnen.
D-Day
Afgelopen week zijn we met oude vrienden uit Nieuw Zeeland een week naar Normandië geweest om oude herinneringen op te halen en er nieuwe bij te maken, wat voor veel hilarische momenten heeft gezorgd.
Oude herinneringen zijn, als ze leuk zijn, altijd de moeite waard. Een daarvan was niet met deze vrienden, maar is voor mij nog steeds heel erg waardevol.
We gaan terug naar zondag 29 april 2007. Met mij vrouw en 2 kinderen hadden wij een week een huisje gehuurd aan de Franse kust. Mijn 2 zoons van 12 jaar wilden, net als ik, graag naar de D-Day stranden, waardoor wij die zondag dan ook op Utah beach belandden.
Echter, deze dag was ook de laatste dag van het seizoen 2006/2007. Ik denk dat de meeste Ajacieden deze dag nog moeiteloos voor de geest kunnen halen
Aan het begin van deze speelronde stonden AZ, PSV en Ajax met evenveel punten gelijk op de eerste plaats, waarbij AZ het beste doelsaldo had.
De Alkmaarders verloren op Woudestein echter kansloos van Excelsior, waardoor Ajax (op doelsaldo) de beste papieren had. Ajax had een voordeel van +2 in doelsaldo op PSV.
De Eindhovenaren moesten thuis tegen Vitesse, terwijl Ajax afreisde naar Tilburg om daar Willem II te bevechten.
Terwijl wij op Omaha beach liepen werd met de regelmaat van de klok op de telefoon gekeken wat de stand was. De twee clubs ontliepen elkaar weinig en met het verstrijken van de tijd werd het steeds spannender en had PSV intussen de achterstand van -2 omgebogen naar +1 in hun voordeel.
Uiteindelijk besloot ik mijn toenmalige vriend te bellen om min of meer “live” getuige te zijn van de ontknoping. Hij besloot zijn woning te verlaten en met radio, drankje en sigaret de garage op te zoeken. Daar zette hij zijn radio op een stand, die hard genoeg was om ons via de telefoon getuige te laten zijn van deze zinderende ontknoping. In spanning zaten mijn twee zoons en ik in de auto te smeken om die derde goal, die ons kampioen zou maken. Helaas heeft dit allemaal niet mogen gebeuren. Vitesse liet de boel “lopen”, terwijl Willem II voetbalde alsof er nog heel wat op het spel stond.
Teleurgesteld dropen wij af naar ons vakantiehuisje.
Nu, jaren later, ben ik ervan overtuigd dat dit competitie einde toch wel een van meest bijzondere was die ik ooit heb meegemaakt, die op vele feestjes nog steeds wordt opgerakeld.
Ove Kindvall
6 mei 1970 zaten mijn vader en ik om 21.00 in spanning voor de zwart-wit buis. Die avond zou Feyenoord namelijk de Europa Cup finale spelen. Celtic, dat een jaar daarvoor in een broeierig Lissabon het gevreesde Inter op een hoop gespeeld had, was de tegenstander.
Met nog niet eerder vertoond supersnel aanvallend voetbal werden de leerlingen van Helenio Herrera, de meesters in het catenaccio, totaal ontmanteld en naar huis gestuurd.
Het Europese voetbal zag er destijds geheel anders uit dan zoals het nu wordt voorgeschoteld.
Toen kon het namelijk nog gebeuren dat, wanneer een underdog een hele goeie dag had, zij de torenhoge favoriet een pootje kon lichten, en zo de volgende ronde kon bereiken. Helaas is alles tegenwoordig anders in de door miljarden gedomineerde Champions League.
Maar dit even terzijde, want daar wil ik het nu niet over hebben.
Als fanatieke Ajacieden waren mijn vader en ik niet zo te spreken (zeg maar gerust jaloers) over de Europese successen die de Rotterdammers in het seizoen 1969/1970 aan elkaar regen.
Elke ronde weer hoopten wij op een uitschakeling, maar noch AC Milan, Vorwarts Berlin of Legia Warschau bleken in staat de kuipbewoners een halt toe te roepen
De rivaliteit in die jaren nam nog niet zulke absurde vormen aan als vandaag de dag, maar was toch wel degelijk aanwezig.
Terug naar die bewuste avond. Scheidsrechter Lo Bello fluit exact op tijd voor de aftrap in het met slechts 53.000 toeschouwers gevulde San Siro. Het spel golft de eerste minuten een beetje op en neer tot de 28e minuut. De Italiaan fluit volledig onterecht voor een vrije trap op de rand van de “16”, recht voor het Rotterdamse doel.
Bobby Murdoch plaatst zich achter de bal. Een onverwacht hakballetje op Tommy Gemmell en de nummer 3 poeiert de bal recht door de muur langs Eddy Pieters Graafland, die kansloos was omdat de Italiaanse arbiter recht voor zijn neus stond in de baan van het schot.
Vandaag de dag zou de VAR er zeker 10 minuten naar moeten kijken, maar gelukkig was die er toen nog niet. Mijn vader en ik hingen in de kroonluchters. Dat zou ze leren, die Rotterdammers.
Dat de wedstrijd een geheel andere wending zou nemen, konden wij toen nog niet bevroeden, maar 4 minuten later was het “helaas” alweer 1-1. Een vrije trap van Franz Hasil kwam na enig heen en weer ge-kop op het hoofd van Rinus Israel terecht, die Evan Williams met een welgemikte kopbal kansloos liet.
Daarna ging het spel heen en weer met kansen aan beide zijden. Gescoord werd er echter niet meer en na negentig minuten werd het verlengen.
In de 117e minuut nam Rinus Israël (weer hij) een vrije trap en legde de bal diep weg op de al lopende Ove Kindvall. Billy McNeill schatte de bal volkomen verkeerd in en probeerde met een handsbal nog te redden wat er te redden viel. Hij slaagde daar, al achterover tuimelend, helaas maar half in. Ove Kindvall was er als de kippen bij om de bal achter de Schotse keeper te wippen.
Teleurstelling “all over” bij ons in huis. Zoveel ellende konden wij op een avond niet verdragen.
Vorige week is Ove Kindvall overleden, terwijl een paar weken eerder Rinus Israël ons was ontvallen.
Het is toch wel typisch dat deze twee hoofdrolspelers uit mei 1970 zo kort na elkaar zijn heengegaan.
Het zou mij niets verbazen als die twee die winnende goal daarboven nog vele malen over doen.
Ijzeren Rinus
Op 6 mei 1970 zaten mijn vader en ik om 21.00 in spanning voor de zwart-wit buis. Die avond zou Feyenoord namelijk de Europa Cup finale spelen. Celtic, dat een jaar daarvoor in een broeierig Lissabon het gevreesde Inter op een hoop gespeeld had, was de tegenstander.
Mijn zoons leden een aantal jaren geleden een roemloze 0-3 nederlaag tegen het Amsterdamse JOS/Watergraafsmeer. Toen de wedstrijd afgelopen was en ik het hek van het sportpark achter mij had gelaten, werd mijn oog ineens getrokken door een man op krukken. Waarempel het was Rinus Israel, die waarschijnlijk weer aan een van zijn “rotte” knieen was geopereerd en als supporter van de tegenpartij naar zijn auto strompelde. Nog steeds ben ik er van overtuigd dat het Nederlands elftal in 1974 gewoon wereldkampioen was geworden als hij niet net hersteld was van een zware knie blessure. Nu moest “IJzeren Rinus” slechts genoegen nemen met enkele invalbeurten. Naar mijn mening heeft Nederland nooit een betere (en gemenere) centrale verdediger gehad. Als de speler, die zijn carriere begon bij DWV uit Amsterdam Noord, heeft hij een heel mooie maar ook soms wel een donkere carriere gehad. Zo staat het incident tegen de Poolse voetballer Frankiewicz nog kristal helder op mijn netvlies gebrand. De Pool vormde op 2 maart 1969, samen met zijn landgenoot Pogrzeba, de voorhoede van het Bredase NAC. Na een grove charge van Rinus bleef zijn slachtoffer even liggen. Bij het weglopen plaatste hij zijn voet op de rug van de spits in plaats van er gewoon overheen te stappen. Heel Nederland sprak daar schande van en Feijenoord dreide met straffen. Samen met zijn “partner in crime” Theo Laseroms (Theo de tank) heeft hij jarenlang een waar schrikbewind gevoerd langs de Europese voetbalvelden. Natuurlijk kon hij ook erg goed voetballen dat was buiten kijf. Als eerste Nederlander mocht hij, als captain van Feijenoord, de Europa cup in San Siro omhoog houden, nadat hij zelf ook nog eens de gelijkmaker achter doelman Williams van Celtic gekopt had. Als Ajacied ben ik natuurlijk nooit zo’n liefhebber geweest van deze notoire schaver, maar in de loop der jaren heb ik ook zijn enorme kwaliteiten leren waarderen. Hij is altijd een bescheiden man gebleven wat hem met het klimmen der jaren ook gelijk een stuk sympatieker maakte voor iemand uit het vijandelijke kamp. Ik ervaar het als een grote gemiste kans dat ik hem toen niet even de hand geschud had om hem toch nog even te bedanken voor zijn gehele oevre.